We gaan naar Rome (7e en laatste)
Sterker nog: We zijn in Rome. Stad ontstaan uit zeven kleine nederzettingen op heuvels. Vandaag 28 augustus zijn we daar na 2499 km. te voet aangekomen. We waren 94 dagen onderweg en zijn nu in de veertiende week. Van slaapplaats tot slaapplaats waren we 567 uren op de been, met 14 kilo en 21 kilo op onze ruggen. We sliepen 56 nachten in ons tentje. Om de route beheersbaar te houden maakten we 357 km. gebruik van bus en trein. We namen meer dan 777 foto’s. We blijven nu nog 7 dagen in Rome om bv. de zeven belangrijkste kerken uit de tijd van Franciscus te bezichti-gen. En om dit zevende en laatste verhaal te schrijven. Daarna is het genoeg, want we verlangen naar huis. Wij geloven zelf niet in de magie van cijfers, maar het getal zeven -de volheid- staat in enkel- of veelvoud niet toevallig in dit verhaal: het is hier symbool voor het genoeg. “Basta”, zeggen de Italia-nen.Want ons laatste traject door Italië werd erg zwaar vanwege de hitte. Er zijn temperaturen gemeten van 48 graden Celsius. Maar dat weten we gelukkig nog niet als we, sinds ons vorige verslag, op vrijdag 19 augustus, de stad Assisi verlaten, om door te gaan in de voetsporen van Franciscus. Het spierwitte stadje is, hoog tegen de berg, nog geregeld zichtbaar de volgende dagen. We dalen af langs de olijfolieweg. Zover het oog reikt strekken de olijfboomgaarden zich uit langs de berghellingen. De extra vergine olie komt hier vandaan. De camping van Spello blijkt allang opgeheven. Dus moeten we door naar Foligno, war een albergo is. Puffend, zwetend en dorstig komen we daar aan. Tegen de middag staat het kwik al op 34 graden Celsius. En de zon staat nog niet op z’n hoogst. Ondanks alle terrassen is er slechts één restaurant open. De bediening is nog onvriendelijk ook. De volgende dag feliciteren we schoondochter Anneke met haar verjaardag. Die dag moeten we ons reisplan aanpassen, want er wordt 37 graden verwacht. Abnormaal heet voor deze tijd van het jaar, vertelt men ons. Daarom stoppen we al in Trevi, de plaats waar de beroemde fontein in Rome naar is genoemd. Ons reisdoel Rome staat trouwens steeds vaker op de wegwijzers, dat stimuleert. Maar de afstand is nog steeds boven de 100 km. Trevi ligt steil omhoog tegen de berg aangeplakt. Voor de eerste keer slapen we hier in een nonnenklooster. Op voorspraak van broeder Mario krijgen we de sleutel van een prachtig, maar eenvoudig onderkomen. Wel pas nadat we ons credential hebben laten stempelen.Op maandag 22 augustus dalen we af naar Spoleto, opnieuw door de vele olijfbomen. Sommige zijn heel oud, zo te zien. We bereiken een oude Romeinse heerweg, de Via Flaminia, nu een drukke ver-keersweg. Daarlangs loopt het niet prettig, maar het schiet wel op. De aftandse camping ligt een stukje verder, steil omhoog. Er staan we vier tenten. Martha griezelt van het sanitair en zij is wel wat gewend intussen. We staan op als het nog donker is, want we moeten weer langs de Via Flaminia. Er is geen andere route. Kronkelend gaan we 250 meter omhoog naar de pas op 646 meter. Dat lukt ons snel. Dan weer naar beneden langs een rivier die zich een weg door de bergen worstelt. Gelukkig is er twee meter vluchtstrook om te lopen, want het verkeer raast langs. De thermometer staat op 35 graden Celsius. De afstand tot Rome is een raadsel. Het ene bord meldt 103 km.; bij de volgende bocht een ander bord: 80 km. Een Franciscaans mysterie? In Spoleto staat gelukkig een grote oude steen met: 100 km. We staan er trots bij op de foto. In de albergo zegt onze gastvrouw dat het 12 graden heter is dan normaal: juli heeft de temperatuur geruild met augustus. Terwijl wij nu juist pas in augustus in Italië wilden zijn om de hitte van juli te mijden. De mens wikt ………Italianen hebben de gewoonte om ’s avonds op een terras een zogenaamde aperativo te drinken. Dat is een fris of alcoholisch drankje met kleine hapjes en chips. Heel feestelijk, dus ook wij doen mee.De weg naar Narni is gevaarlijk, want er is geen vluchtstrook en nauwelijks een beloopbare berm. Ook deze stad ligt tegen de berg aangeplakt. Dat betekent weer flink klimmen. In de kerk is waarach-tig iemand beschikbaar om ons credential af te stempelen. Heel vaak lukt dat niet. We denken dat de camping nog maar 5 kilometer verder ligt. Dat klopt niet; het is veel verder. En we kronkelen lang omhoog in de hitte van 33 graden. Bijna zonder schaduw. Maar de sfeer op de prachtige camping vergoedt veel. Onze aardige gastvrouw biedt troost met een drankje. Ze vertelt dat er een Amsterdams echtpaar met twee kleine kinderen te gast is, fietsend van huis naar Rome. Toevallig zetten we ons tentje naast het hunne. ’s Avonds eten we gezellig de samen gemaakte pasta. En doen een spelletje kwartetten met de kinderen. De hoofdlampjes moeten dan aan, want het is al snel en vroeg donker.Op donderdag 25 augustus gaan we richting Moncebuono. De tent wordt teder ingepakt, want we kunnen niet meer kamperen, omdat campings verderop ontbreken. Dat nylon onderkomen kunnen we niet weggooien uit dankbaarheid, dus slepen we het mee tot het eind.De route loopt prachtig langs de bergrand met uitzicht op het dal. We verlaten Umbrië en komen nu in Lazio, het Romeinse Latium. Toevallig lezen we in de krant de waarschuwing aan bejaarden, kin-deren en zieken om binnen te blijven. Bovendien het advies om geen zwaar werk te doen. En wij doen niet anders!! Er wordt 40 graden verwacht.Wij stoppen vervroegd bij een Bêd en Brochje. In het dorp is de enige winkel en de enige pizzeria gesloten. De bar heeft gelukkig nog belegde broodjes liggen. Ons pogen om een agriturismo-onderkomen te vinden, slaagt ook nu niet: de één is dicht, de ander is vol. Zo is er altijd wat. We proberen zus Annie met haar verjaarsdag te feliciteren, maar ons toestel weigert. Onbegrijpelijk.De dag daarop begint fijn. Het Amsterdamse gezin op de fiets gaat ons vriendelijk groetend voorbij. Wij moeten veel klimmen en dalen. Zolang we de zon kunnen mijden gaat dat prima. In de zon is het veel moeilijker. Bijna een drama wordt het als we de kaart verkeerd lezen. Onbedoeld klimmen we omhoog naar Poggio Mirteto. Klimmen? En dat terwijl we het dal van de Tiber al bereikten?Uitgeput en uitgedroogd komen we aan in de albergo: een acht uur durende tocht met vele liters drinkwater. Na een douche, slaapje, aperativo en pizza zijn we hersteld. Net voor het naar bed gaan ontdekken we de fout pas. De volgende dag willen we zo dicht mogelijk Rome naderen. Dat plan lukt alleen als we de fout her-stellen: door terug te gaan met de bus en dan vijf minuten verder met de trein. We starten weer bij Passo Coreso, nu langs de Via Salaria. Deze oude heerweg lijkt eerst op een echte beloning, maar als verkeer op gang komt, wordt het een echte nachtmerrie. Want in de krant staat dat op deze dag 13 miljoen Italianen terug komen van vakantie. De auto’s schieten 20 km. lang als nijdige wespen langs ons heen, vrijwel ononderbroken. Soms hebben we niet meer ruimte dan de witte streep, gevaarlijke en vermoeiend. Gelukkig schuift er na weken zo nu en dan een klein wolkje voor de zon. Ook zijn er soms zuchtjes wind voelbaar. Tocht blijft het 30 graden. Maar onze opzet lukt: na acht uur op de been bereiken we de buitenste ringweg rond Rome. We zijn nog maar 12 km. van het centrum verwijderd. De Via Sa-laria wordt zelfs nog vierbaans. Gelukkig is het motel snel gevonden. Deze keer is Fokke het meest vermoeid: van de herrie, zegt ie. De volgende dag zijn we vroeg opgestaan want we volgen nog een poos de drukke beloningenweg. Al na vijf minuten poseren we voor het bordje “Rome”. Tegen de tijd dat de weg weer druk wordt zijn we bij de beroemde Villa Borghese en bij de oude stadsmuur. We zien zelfs het topje van de Sint Pieter. En dan met nog even doorzetten: De Sint Jan van Lateranen, einddoel voor de pelgrim langs de Franciscaanse route. We bellen en sms’en het nieuws aan heit, kinderen en onze contacten met vrienden en familie. Op het plein achter de Sint Jan zijn maar weinig mensen. Net genoeg om een foto van ons te maken. Maar dat geeft niet. Wij zijn er!! Onze albergo van de zusters van Santa Anna is vlakbij. Men vertelt ons daar dat het de laatste weken soms wel 48 graden is geweest! Maar goed dat wij dat niet wisten, want dan waren we misschien wel direct gestopt. Met zo’n hitte durven wij iet te lopen. Wat niet weet wat niet deert, in dit geval. Nu onze voetreis eindigde in Rome is het tijd om terug te kijken: Wat heeft deze tocht met ons ge-daan en hoe hebben we die tocht beleefd? Welnu, voorop staat dat het een groot avontuur was. Ondanks het grote pakket met routebeschrijvin-gen, moesten we zelf veel improviseren. Dat is spannend, maar ook lastig. Het gewicht van onze bagage maakte het onmogelijk de geplande wandelroutes te volgen. Tot Italië waren er veel fietspa-den, maar daarna moesten we vaak de verkeerswegen volgen. Onze eigenzinnige koers door de Apennijnen was zwaar, maar geweldig. In Zuid- Duitsland en Oostenrijk hadden we ’s avonds en ’s nachts veel regen en onweer. Sinds Verona heeft de hitte ons parten gespeeld. Men zegt dat het kwik opliep tot 48 graden Celsius. Er werd zelfs geadviseerd om inspanningen te vermijden. Bovendien is het lopen langs autowegen met veel verkeer erg vermoeiend. Daarom was het verstandig om een stukje met de bus of trein te gaan. Bovendien was dat soms nodig voor het vinden van geschikt on-derdak. Zwaar was de tocht door de vele extra kilometers, nodig voor het bereiken van campings en winkels. Zwaar was het ook door gebrek aan medewandelaars naar Rome. Eigenlijk hebben we vrijwel geen wandelaars getroffen, fietsers daarentegen veel. Maar ondanks dat alles: wat hebben wij genoten van de mensen, de landschappen, de steden en de dorpen onderweg. Het is heerlijk om een tijdlang met minimale middelen te leven. Het medeleven van u en van de mensen onderweg maakte dan je weer voort kon na een zwaar traject. We begrijpen best dat sommigen onze tocht absurd vinden, en dat was het misschien ook wel. Onze uitrusting heeft zich geweldig gehouden maar de slijtage is duidelijk zichtbaar. Ook bij onszelf trouwens. Gelukkig is dat slechts tijdelijk. Op ons benzinebrandertje zijn talloze kopjes koffie gezet en vele borden macaroni gekookt. En dat alles voor niet meer dan vijf euro per dag. Het tentje lekte wel eens, maar dan was hij niet goed opgezet. Het kampement was binnen een uur afgebroken. Ontbijten deden we vaak bij de bakkers in Duitsland met hun gezellige koffiehoek. In Oostenrijk waren de gasthoven gastvrij. In Italië hadden de bars schuimige cappuccino met een lek-ker broodje. Dat we altijd zo gezond zijn gebleven moet mede te danken zijn aan de ontelbare kuipjes yoghurt. En aan het verse fruit: menige boer mist een tros druiven,een appel, kersen of aardbeien.En blaffende honden bijten niet, maar maken wel veel herrie. Vooral in Italië schrik je je soms wild van hun gebas en gekef. En van hun blikkerende gebit. Gelukkig zaten ze altijd vast of achter het hek. Maar ook: wat waren de fietspaden langs de Rijn, Main of Tauber prachtig. De bergen van Oostenrijk en Italië: geweldige uitzichten. Maar toch aan het eind van de dag altijd weer die vraag: “Wat is de camping?” Heel wat keren is die vraag aan mensen gesteld. Of: “Is er wel een winkel? En is die dan ook open?” Zo niet, dan was het behelpen met wat de rugzak nog bood. Je went aan alles. En wie maakt nu mee dat de eigenares van het kleine hotel op de Po-vlakte aan het bevallen is bo-ven? Spannend toch? Dat alles overkomt je als je onderweg bent van Drachten naar Rome. We zullen nog vaak aan deze zware en vermoeiende reis terug denken. Nu gaat het gewone leven weer beginnen: Martha verzorgt opnieuw andermans voeten en praat ge-zellig bij met haar klanten. Fokke kookt weer en stoft af, maar gaat vooral lezen en naar muziek luis-teren. Beiden willen we nog iets vrijwilligs doen. Samen blijven we wandelen, maar nooit meer zo extreem. Zeker ooit nog wel eens de zevenheuvelentocht tijdens de Nijmeegse vierdaagse. Maar voorlopig is het even genoeg. Want we zijn in Rome. Basta!Martha en Fokke Wijngaarden.


We gaan naar Rome (6)

Wat vegen zij vaak hun stoepjes, die Italianen. Als ze tenminste niet heftig gebarend met elkaar aan het kletsen zijn. Jammer dat we hen niet kunnen verstaan. En zij ons ook niet, en dat is nog erger als je lopend door hun land trekt.Helemaal lopend lukt ons niet. Door hitte en bergen kunnen we nu meestal niet meer dan 15 km. per dag lopen. Daarom hebben we vanaf Bologna besloten een paar stukjes met de bus/trein te gaan. En zo zijn we gisteren (donderdag 18 augustus) aangekomen in het bekende Assisi. U weet wel, waar Franciscus ligt begraven. Hij was monnik in de tijd rond 1200 na Chr. De orde die hij stichtte boodschap vrede en goedheid. Ook veel protestantse trachten zijn voetsporen te volgen. Veel katholieken komen bij zijn graf bidden. Zo ook vandaag, als wij in de basiliek een tijdlang stil op een bankje naast zijn tombe uitrusten. Het is immers één van de hoogtepunten tijdens onze vermoeiende voetreis Drachten – Rome.Elke dag onze rotzak op de rug van camping naar camping. Tentje op- en afbreken. Potje koken. Eigen keuze, zult u denken. Natuurlijk. En het gaat goed. De rugzakken houden zich werkelijk heel goed en de tent idem dito. Maar er zijn tekenen van vermoeidheid in het materiaal. En ook bij ons. Daarom is het goed dat het einde in zicht is. Hierna vertellen we u wat ons overkwam nadat we , sinds ons vorige verslag, op zaterdag 30 juli uit Trento vertrekken. Altijd weer wennen na een dag rust. We maken een omweg langs het Gardameer. Eerst nog over het fietspad waar de fietsers ons in grote getale voorbij zoeven. De dorpen liggen niet aan ons pad, maar gelukkig is er een drukbezochte kiosk waar we wat kunnen drinken. De gastvrouw maakt een foto van ons. En vraagt ons wat te schrijven in haar gastenboek. Dat vraagt zij alleen bijzondere gasten. Wij voelen ons vereerd.In Rovereto stuurt men ons de verkeerde kant uit. Gelukkig is een aardige heer bereid ons niet alleen de weg te wijzen, maar ons ook bij de bushalte af te zetten. In een bus vol jeugd zijn we binnen een kwartier in Torbole aan het Gardameer. Op de camping krijgen we een spontane staande ovatie. Nadat we ons potje gekookt hebben trekt de lucht dicht. En volgt er onweer met een wolkbreuk. Ons grondzeil gaat er van drijven. Maar de waterval stopt net op tijd, zodat onze spullen bijna droog blijven. Er loopt geen pad langs het meer, dus moeten we de volgende dag langs de drukke verkeersweg naar Malcésine. Prachtige vergezichten, maar ook gevaarlijk. Want automobilisten houden weinig reke-ning met ons wandelaars. Het fraaie stadje heeft de camping aan het meer. Met in de hand een wijn-tje groeten we de ondergaande zon. Fijn dat er de dag daarop naar Castelletto wel een fietspad pal langs het meer loopt. Zo bereiken we ontspannen dat stadje. Ons tentje staat onder de olijfbomen. Fokke krijgt een standje van de campingbeheerster omdat hij ongevraagd twee goedkope plastic stoe-len “leende” uit de nabije verlaten stacaravan. We denken dat onze jonge buurvrouw ons heeft verra-den. Bah.Het is nu al 1 augustus, de maand waarin we Rome hopen te bereiken. Maar of dat lukt? Die nacht is het vreselijk benauwd. We drijven deze keer de tent bijna uit vanwege het zweet. Na een beetje regen en onweer koelt het gelukkig wat af. De volgende dag richting Bardolino komen we op bekend terrein. Daar in de buurt zijn we vroeger eens met de kinderen op vakantie geweest. Verlegen worden we van het bekijks dat we krijgen als we langs het strand van Garda lopen. De camping van Bardoli-no is schandalig duur voor een stukje grint op tien meter afstand van de voorbijrazende auto’s en donderende motoren. Met bovendien een groep luidruchtige jongens naast je slaap je slecht. Maar dat lawaai kunnen we ook al wel aan.Op woensdag 3 augustus buigen we van het meer af naar Verona. Een lange tocht door de wijngaarden met 30 graden in de schaduw. Vermoeiend, en dus blijven we daar een dag langer. Ook vanwege de prachtige ouderwetse camping tussen de muren van de burcht boven de stad. Een schitterend uit-zicht en de tent onder de blauwe druiven. Het sanitair stamt uit het jaar nul. De beheerder koestert zijn krakkemikkige meubilair. Maar gezellig!Met tien weken op stap hebben we wel een dag rust verdiend. We flaneren langs de DOM en de Are-na. Martha schrijft haar 155e ansichtkaart, waarvan 10 % voor heit van honderd. Bij het balkon van Romeo en Julia koopt zij een prachtig jurkje, want de lange broek is niet deftig genoeg hier.Maar ……… morgen wacht de Po-vlakte. Kenners voorspelden ons daarover niet veel goeds. We zullen zien.Pas na drie uur lopen zijn we Verona uit. Een enorme vlakte strekt zich voor ons uit. Druiven en olij-ven maken plaats voor maïs en koeien.Het is heet met 31 graden en geen schaduw. Zo bereiken we op vrijdag 5 augustus het drop Palù. Het enige hotel/pizzeria daar is gesloten. Maar we kunnen niet verder. En op de hele Po-vlakte is er geen camping voor ons. Na enig volhouden doet de eigenaar toch open. Hij wil ons wel opnemen, maar heeft weinig tijd: zijn vrouw ligt namelijk in het kraambed boven. En ja hoor …… na twee uurtjes versieren de vroedvrouwen de gevel met prachtige blauwe linten. Andrea heet hij, zegt de gelukkige vader als we hem gelukwensen. Dat hij geen pizza’s bakt vandaag begrijpen wij best. We snacken een tosti aan de bar van het café. Ja, je maakt van alles mee op deze manier. De volgende dag vlak na ons vertrek weer enige tijd regen en onweer. Dat is hier wel lekker verfrissend. Na de middag is er niemand meer op straat: siësta. Alleen wij. Met de voorbijscheurende auto’s, want die hebben aircondition. Het vlakke gebied doet vertrouwd aan met varkensboeren en koeien. Heet, dat wel.Op de weg naar Nogara komen we langs een terras. Altijd is men nieuwsgierig naar ons reisdoel. Flink vermoeid, ligt even voor het stadje een fraai landhuis met het bord “agrotoerisme”. Volgens onze boekjes een goede verblijfsmogelijkheid. Maar niet voor ons: men zegt dat het vol is. Wij twijfelen aan de geldigheid van die reden, want er is buiten de protier niemand op het terrein te zien. Het eerste beste hotel heeft in ieder geval geen bezwaar tegen gasten zoals wij: met stinkende kleren en rugzak. ’s Avonds belt zus Lissie dat zij voor de derde keer oma is geworden, nu van Marlies. Het leven gaat dus gewoon door. Fijn. Als we onze route voor de volgende dag plannen, blijkt dat de rivier de Po alleen met de autosnelweg over te steken is. Daar mogen wij niet op. Een omweg kost 10 km. extra. Daar hebben we geen zin in. De trein brengt ons in 25 minuten naar Póggio Rusco. De foto van de rivier vanuit de rijdende trein mislukt jammerlijk. Dan weer lopen. Langs de bedrijventerreinen van Mirándola. Een saai traject.De dag daarop is het 8 augustus. Vandaag wordt zoon Romke 40 jaar. Hij viert dat in ons huis. Beetje raar dat wij er niet zijn. We verlaten de stad en verdwalen een tijdje. De lucht betrekt en dus denken we dat we nu wel 30 kilometer kunnen lopen. Maar nee hoor. Al snel wordt het heter als nooit tevoren. En razen de auto’s weer langs. De bermen zijn weinig geschikt als vluchtweg. Dat de Po-valkte vruchtbaar is kun je zien als er geploegd is: de vette rivierklei geeft zich bloot. Veel perenboomgaarden. Het landschap wordt vriendelijker, maar wel met bijna 40 graden op de thermometer in de zon. Gelukkig zien we in de verte al de Apennijnen. In die bergen zal het vast koeler zijn. Omdat Cento lopend niet meer bereikbaar is, nemen we weer 20 minuten de bus. Stinkend en druifnat van het zweet betreden we de lobby van het grote hotel. Daar stinkt het ook. Maar nu naar verf. De lobby wordt helemaal geschilderd. Wat een ontvangst! Maar ons deert dat niet. De stad is voorzien van arcaden. Zo word je beschermd tegen de zon en blijven de straten koel. De dag daarop nemen we de bus naar Bologna, 31 kilometer verderop. De camping ligt buiten de stad, maar is met de stadsbus prima te bereiken. We nemen weer een dag rust om Bologna te bekij-ken. Deze stad heeft ook veel arcaden. In de DOM is het graf van Dominicus, met beeldjes van Mi-chelangelo. Typisch is het complex van zeven kerken gewijd aan St. Stefano. Ze vormen bijna een labyrint. Het is er veel minder toeristisch dan in Florence, verderop. Maar dat is een kwestie van smaak. Op donderdag 11 augustus willen we de godenroute gaan volgen. Deze voert eerst onder de 5 kilo-meter lange arcaden naar het sanctuarium San Lucia. Die kerk ligt hoog op de heuvel boven de stad. Daar vergissen we ons in de weg. En dwalen we verder langs de bochtige weg, al dalend en stijgend dat het een lieve lust is. Maar die pret duurt niet lang met onze zware rotzakken op de rug. De hele dag blijft de kerk in ons vizier. Vermoeid bereiken we Sasso Marconi. De camping ligt ook nog eens drie kilometer verderop. De beheerster zag ons uren geleden al lopen. Zij had ons wel mee willen nemen in haar auto …… als ze het geweten had ……Maar we zijn er al. Toch vriendelijk aangeboden. Een leuk Nederlands echtpaar biedt wat troost met hun belangstelling. We weten nu dat we de geplande route moeten vereenvoudigen: zoveel mogelijk door het dal, dus opnieuw langs de verkeerswegen. Bovendien besluiten we link- of rechtsom begin september in Rome te zijn. Desnoods met bus of trein als dat helpt. De weg naar Rio Veggio voert de bergen verder in. We vertrekken nu vroeger om de hitte voor te zijn. De dag daarop lopen we bijna ongemerkt over de Passo Monte Predente op 700 meter. Dat gaat dus nog steeds heel goed.Bij de afdaling komen we in een dorpje langs de kapper. Dat is lachen met die misverstanden van-wege de taal, maar het resultaat is perfect. Met knappe koppies bereiken we Pian de Voglio. Onze 80e loopdag is op zondag 14 augustus. We moeten de Passo della Futa over. Ook die 903 hoog-temeters kunnen we heel goed aan. Na het grote Duitse soldatenkerkhof zijn we snel op de mooie camping, een verademing bij die van gisteren. De volgende dag is alles gesloten, zelfs benzinepompen zijn onbemensd. Want het is Sancta Maria, een belangrijke katholieke feestdag. Het is moeilijk om dan iets te kopen. Met een temperatuur van 20 graden is het nu goed lopen in de bergen. Maar ook wij houden siësta. Op weg naar Vicchio verlaten we Emilia Romana en komen we in de bekende provincie Toscane. Dat is al zichtbaar aan de rijzige cipressen en de mooie landhuizen.Ondanks het feit dat we redelijke afstanden kunnen lopen, zien we onze einddatum snel naderen. Daarom nemen we 56 kilometer de trein naar Bibbiena. Daar overnachten we in een aftandse alber-go. Een drinkebroer brengt ons er naar toe en krijgt van de eigenaar en groot glas wijn als loon. Na een typisch, dus karig, Italiaans ontbijt volgt de klim naar Laverna. Dat is 19 kilometer haarspel-den en alleen maar haarspeldbochten. Niet scherp, wel voortdurend. Maar dat is de moeite waard. Ondanks 31 graden. Want het sanctuarium lijkt daarboven tegen de rots aangeplakt. Enigszins gesloopt bereiken we tegen de middag de voet van die rots. Zonder rotzak zijn we de laats-te 200 hoogtemeters zo boven. Eerst langs het kapelletje waar Franciscus de zwerm vogels in de grote eik zag landen. Een zwerm vogels is hier een zeldzaamheid, dus besloot hij op deze plek een heiligdom te stichten. Onze camping ligt weer eens aan het voeteneind, nu van Chiusi della Verna. Onze buurman vertelt dat hij uit Miltenberg (Duitsland) komt. Ook toevallig. Daar kwamen wij op onze reis langs. Hij probeert eenvoudig te leven. Zoals Franciscus. Daar moeten wij hartelijk om lachen als hij ons vervolgens, uit zijn kofferbak met elektrische professionele koffiemachine, een bakkie troost aanbiedt. Je maakt toch wat mee op zo’n voetreis. Gisteren zijn we eerst naar een pas op 1005 meter gelopen. Vervolgens 20 kilometer met haarspelden naar beneden tot Pieve St. Stefano. Daar vandaan per bus, trein en taxi de 80 kilometer naar onze camping bij Assisi. Toscane ligt achter ons. We zijn in Umbrië. Vandaag kijken we al schrijvend over het brede dal waarover we morgen verder gaan. Maar vandaag, vrijdag 19 augustus, bezoeken we eerst de stad van Franciscus en houden we rust. Want het Assisi van Franciscus willen we beslist op ons in laten werken. Deze bijzondere man heeft hier geleefd tussen 1181 en1226. Zijn leefregels zijn samen te vatten in: Vrede en goedheid. De leden van de orde lopen vaak in een bruine pij met wit koord. In La Verna heeft hij zijn stigmata ontvangen: een wond die als een wonder ontstaat als teken Gods. Zijn graf is dus in Assisi. In deze hele streek zijn Franciscaanse kloosters gesticht. Een beroemde wandelroute voert erlangs en daar doen wij nu maar een klein stukje van. Want ons doel ligt 150 km. verderop: Rome, de eeuwige stad. Hoofdstad van de uitbundig vegende Italianen. Dat einddoel komt in zicht. Gelukkig.
Martha en Fokke Wijngaarden.


We gaan naar Rome (5)

Als het beneden regent, dan sneeuwt het boven. Dat is zo in de bergen. En dat hebben we tot vandaag, vrijdag 29 juli, vaak meegemaakt. Na precies negen volle weken zijn we nu in Trento. Wat kwam er veel water naar beneden in de prachtige bergen van Tirol. De toppen blonken wit van de verse sneeuw. Er moest zelfs een groepje padvinders op kamp door de Bergrettungsdienst worden weggehaald.

Toch hebben we overdag altijd prachtig wandelweer gehad. En de bergen lagen vaak te schitteren in de zon. De regen kwam vooral ’s avonds en ’s nachts. Soms wel zeventien uren achter elkaar. Lopen over de bergkammen is veel te zwaar met onze “rotzakken” op de rug. Dus gingen we veel over de fietspaden: stroomopwaarts langs de Inn en stroomafwaarts langs de Adige/Etsch.

Wij hebben veel fietsers gezien. Onnoemelijk veel. De meesten rustig peddelend, maar vaak ook heel hard racend. Met het snot voor de ogen, zegt Mart Smeets dan. En niet zonder gevaar voor ons, als ze plotseling van achteren vlak langs je suizen. Maar nog veel gevaarlijker is het lopen langs een autoweg. Dat moest soms. We lagen dan wel eens op onze knieën in de rechtopstaande berm. Wij zijn blij dat we niet geraakt zijn door een uitkijkspie-gel of nog erger.
Andere wandelaars/pelgrims hebben we nauwelijks ontmoet. Dat komt misschien omdat er vele wegen naar Rome leiden. En toch hebben velen die weg al lopend afgelegd. Bijvoorbeeld Willibrord, de eerste bisschop van Utrecht. Of keizer Karel de Grote. Sommigen schreven een verslag: zoals bisschop Siegeric van Canterbury in 990 na Christus. Dat verslag is er nog. En Nicolaas van Munkathera beschreef zijn tocht van IJsland, via onze IJssel, naar Rome in 1154 na Christus. Misschien heeft u wel het liefdesgedicht van Bertus Aafjes over diens voetreis naar Rome gelezen. Maar ook legers met Hannibal en Napoleon gingen, net als wij, te voet over de Alpen. Wij bevinden ons dus in een illuster gezelschap.

En we trekken ook nog steeds veel bekijks sinds ons vorige verslag van woensdag 13 juli. De volgende morgen kijken we in Füssen aan de voet van de Alpen naar buiten: geen berg te zien! Wat een teleurstelling. De hele dag bewolkt en miezerig. Op de camping van Heiterwang stopt men ons ’s avonds als troost fruit en marsjes toe. En kunnen we onze natte boel drogen. De dag daarop zijn we vijftig dagen op stap. Een mijlpaal dus en misschien ook op de helft.

De tocht naar Lermoos biedt meer zicht op de bergtoppen. Vanuit ons tentje hebben we uitzicht op de hoogste berg van Duitsland, de Zugspitze. Er ligt sneeuw op. Na een koude nacht gaan we wat gespannen op pad voor de eerste bergpas, de Fernpass (1215 meter). Over het fietspad zijn we er, voordat we het weten, na twee uurtjes al. Dat valt mee. De afdaling naar Nassereith is veel lastiger. Het mountainbikepad is gesloten vanwege onderhoud, maar niemand trekt zich daar iets van aan. We ontmoeten een jongeman uit Wenen, die via de steile wandelpaden al tien weken loopt naar Monte Carlo. Dat vinden wij knap. Op de camping ’s middags zet een aardige Deen bijna ongezien een grote fles witbier op ons tafeltje. Leuk toch? Het is immers warm.

Op zondag 17 juli lopen we met uitzicht op de Muttekopf (2774 meter) richting Imst. Die berg heb-ben we een paar jaar geleden beklommen met Piet en Carla Antoons tijdens de week bergwandelen. Wat stonden we daar apetrots met z’n vieren. En wat lijkt dat nu ongelooflijk hoog. Daarna moeten we door een bos. Voor het eerst worden we flink geplaagd door de muggen. Vooral Fokke vinden ze smakelijk. Het weer verslechtert en dus gaan we vroeg ons potje koken op de camping. Toch nog te laat. Want we moeten rug aan rug in het tentje zitten eten. En het blijft dan zeventien uur regenen en miezeren. Er zit niets anders op dan maar te gaan liggen en slapen om acht uur.

Ook het opstaan gaat weer liggend de volgende morgen. De natte boel snel onder het afdakje slepen, inpakken en dan maar weer lopen. Gelukkig wordt het dan al gauw droog. We steken de rivier de Inn over. Snelstromend, grijs, kalkhoudend water. Omdat we willen bijkomen van de afgelopen natte nacht, slapen we nu luxueus in een Gasthof van Landeck. Met prachtige beschilderde kamerdeuren.
Dan weer verder langs de Inn. Men vindt ons “wahnsinnig” als we ergens koffiedrinken. Want waanzinnig is onze tocht natuurlijk ook. Welke gek doet nu zoiets?
Bijvoorbeeld lopen langs de drukke Bundesstrasse. Hele gezinnen wurmen zich op de fiets, net als wij, langs de kant en de voorbij flitsende auto’s. Erg gevaarlijk.
Op de camping van Pruz staan de caravans hutje-mutje. Het sanitair is prachtig. Ons tentje staat onder de boom. Dat is stom. Want als we net liggen gaat het weer regenen. De hele nacht door. Dat kunnen we op zich wel aan, maar niet met die dikke druppels vallend van de bladeren. Op ons strak gespannen nylontentje klinken ze als hagelstenen op een trommelvel! Fokke wil de tent verplaatsen. Maar ja, het regent. De hele nacht geen oog dicht gedaan. En opnieuw liggend aankleden en de boel onderdak slepen.
Pas tegen de middag wordt het droog en verschijnt een waterig zonnetje. Al dagen zegt men dat het weer “onbestendig” is. Dat woord kunnen we nooit meer horen. En zo lopen we op het eind van de dag vlak langs de grens met Zwitserland. We moeten nog 200 meter steil omhoog naar Naudres. Fietsers wordt dringend aangeraden het gevaarlijke stuk met de postbus te gaan. Langs de omhoog kronkelende autoweg is het ook levensgevaarlijk. Binnen een kwartier staan we met de postbus voor ons Gasthaus in het fraaie skioord. Misschien heeft u er wel op de lange latten gestaan.
Het slaaptekort halen we hier ruimschoots weer in. Onze gastvrouw is spontaan en belangstellend. Bovendien: het weer is goed als we de Reschenpass (1505 meter) over lopen. Weer een mijlpaal, want we verlaten het nachtelijk-natte Oostenrijk.
Vol trots staan we op de foto voor het bord “Italia”: We zijn in Zuid-Tirol/Altoadige.
Nu met de stroom mee van de Etsch/Adige. Langs het meer met de kerktoren uitstekend boven het water. De kerk zelf verdronken in het stuwmeer?
De weg naar Mals loopt vervolgens door een breed dal. Prachtig. Het is er heerlijk kamperen op de splinternieuwe camping. Nu we aan de zuidkant van de Alpen zijn is het milder en droger. Men be-looft ons vele dagen wandelen langs appelboomgaarden. Hier zou een belangrijk deel van de wereld-productie van appels vandaan komen. Wat zal dat prachtig zijn als in de lente de bloesems het dal wit/rose kleuren.
Opnieuw is een tijdje lopen langs de autoweg nodig: met de knieën in de steile berm als een vracht-auto aanstormt. Je kunt geen kant op, zo smal. Verschrikkelijk! Maar ook dat gaat over. En bijkomen op het terras. Waar een aardige man op de vraag: “Waar is hier de camping?”, antwoordt: “Lastig te zeggen, maar stap maar in. Ik kom er toch langs.” Dat scheelt een uurtje aan het eind van de zware dag.
De camping achter het hotel van Latsch is groot. En chaotisch. Staanplaatsen zijn slecht aangegeven. Het personeel is nonchalant. Maar hier is geweldig goed sanitair, vindt Martha. Dat valt ons reuze mee in Italië. Toch niet een land dat als proper bekend staat. Fijn dat we niet onder een boom staan, want het regent geregeld die nacht. Maar overdag naar Naturns is de zon regelmatig zichtbaar. De camping is vol maar de bejaarde be-heerster heeft nog wel een plekje met gras bij de drooglijnen voor ons zwervers. Per ongeluk vinden we een nieuw recept uit ”aardappelpuree gemaakt met slagroom, een wel heel smeuïge warme prak. Maar onze magen hebben daar geen probleem mee.
Jammer is dat de Italiaanse bakkers geen koffiecorner hebben. In Duitsland en Oostenrijk was dat onze favoriete ontbijtplaats. Nu lopen we ons feestelijk broodje bij de koffie vaak mis. Op zondag 24 juli gaan we naar Merano. Het is een korte route langs het fietspad van de Esch. Die stad ligt prachtig omarmd door de bergen. Het was een beroemd kuuroord en is dat kennelijk nog altijd. Palmbomen wijzen op een mild en aangenaam klimaat. In de 19e eeuw kwam keizerin Elisa-beth van Oostenrijk hier vaak met haar kwaaltjes en verdriet. Zij is bij ons beter bekend als Sissi. Wie van de ouderen kent niet de zoete tranentrekkende Sissifilms met Romy Schneider in de hoofd-rol? Sissi was de prinses Diana uit het verleden. Ook het leven van filmster Romy Schneider was er één van glamour en verdriet. Zij was voer voor de roddelbladen toen wij jong waren.
We flaneren heerlijk langs de boulevard en over de Sissistrasse. De volgende dag doen we inkopen bij het winkeltje van de zuivelfabriek. De verkoopster had ons al zien lopen en legt ons nu in de watten. Ze geeft meer dan ze ons verkoopt. Elk jaar kijkt ze rond kerst nog naar een oude Sissifilm, en huilt dan tranen met tuiten.
We trakteren onszelf op gebak bij de koffie, want kleinkind Thijs in Londen wordt vandaag vier jaar. Hij noemt zichzelf “tutteboy”. Onderweg veel fietsers en na Bolzano nog veel meer. Want de weg vanaf de Brennerpas vloeit met de onze samen.
De camping ligt niet waar hij volgens onze kaart moet liggen. De buschauffeur weet gelukkig wel waar en brengt ons er in enkele minuten dichtbij. Ook deze camping is al vol, maar ook hier heeft men nog wel enkele plekjes gras achter tegen een muurtje met perziken.
Niet alleen het verkeer komt samen bij Bolzano, ook de rivier Eissack/Isarco vloeit naar de Etsch. Dat gebeurt vrijwel ongemerkt onder onze voeten. De appels worden al een beetje rijp richting Ora/Auer. Lekker fris en fruitig smaken ze direct van de boom.
De volgende dag in Salorno hebben we een kamer in het fraaie Jugendhaus gereserveerd. De hele weg er naar toe schijnt de zon volop. Al dagen kloppen de sombere weersvoorspellingen hier niet. Gelukkig. Dat komt, zegt onze lieve gastvrouw in het Jugendhaus, omdat in Salorno het weer en de vrouwen onvoorspelbaar zijn. Het stadje ligt op de taalgrens Duits-Italiaans.

We moeten nu ons taalgidsje gaan gebruiken, want we verstaan geen mens meer. En zij ons ook niet, en dat is erger. Onze tocht naar Trento is weer ouderwets zwoel en zweterig met 30 graden Celsius. Het beloofde onweer komt toch, ondanks het gezegde van onze gastvrouw. Maar gelukkig pas als we Trento zien liggen. Onder geflits, gedonder en nattigheid bereiken we de grote jeugdherberg in het centrum. Daar houden we vandaag, vrijdag 29 juli, onze rustdag. Om u dit allemaal te kunnen schrijven.

En misschien komen we nog sporen tegen van het beroemde Concilie van Trente? Wellicht dat we in het Castello del Buonconsiglio ons geheugen kunnen opfrissen. Hoe dan ook: Morgen gaan we verder, maar niet meer langs de Via Claudia Augusta. Nu willen we langs het Gardameer, weer of geen weer.
Want we gaan naar Rome.
U hoor nog verder van ons.Martha en Fokke Wijngaarden.


We gaan naar Rome (4)

Füssen (voeten): kan het nog symbolischer?
Gisteren, dinsdag 12 juli, bereikten we (bijna) helemaal te voet deze stad aan de voet van de Alpen. Wij zijn het grote Duitsland door.
Füssen heeft ook nog een andere betekenis. Vorig jaar moesten we daar onze vakantie afbreken vanwege de vuistdikke hagelstenen. Onze auto was total loss. Honderd nylon tenten aan flarden. Onze katoenen tent kon het gelukkig aan. Maar met zo’n bende en huilende mensen om je heen wil je niet blijven. Daarom kamperen we nu ook niet in Füssen. Dat zou de goden verzoeken zijn met ons kleine nylon tentje. Naast gelovig zijn we nu ook wat bijgelovig.

De Romantische Strasse eindigt hier. Toppunt van romantiek en symboliek vinden we het nabijgelegen kasteel Neuschwanstein. In de 19e eeuw gebouwd door de jonge koning Ludwig II van Beieren. Deze romantische dromer liet de troonzaal beschilderen met scènes uit het leven van o.a. de legendarische troubadour/zanger Tannhäuser. Eens was op de Wartburg een zangerswedstrijd. Ook Tannhäuser moest zingen over het wezen van de hoofse liefde. Dat deed hij niet. Zijn onderwerp was de erotische liefde. Bovendien bekende hij dat hij en tijdlang met Venus, de godin van de liefde, had samengeleefd. Dat was een doodzonde in de Middeleeuwen. Hij werd gedwongen om als pelgrim naar Rome te gaan en de Paus om vergeving te vragen. Deze zielenherder was streng. Slechts als diens staf zou gaan bloeien was vergeving mogelijk. En wat denkt u: de oude stok werd groen en er kwamen bloemen aan. Maar pas nadat er veel verdrietigs voor Tannhäuser was gebeurd.
Het kasteel gaan we vandaag bezichtigen.
Onze voetreis is geen boetedoening, maar wel een hele onderneming. Sinds ons vorige verslag is het weer heel onstabiel geworden. Veel onweer en regen, vooral aan het eind van de middag. Toch konden we bijna altijd in de zon wandelen, soms bloedheet met dertig graden.
De planning van de overnachtingen waren daarom soms lastig. Maar dat weten we allemaal nog niet als we op donderdag 30 juni Tauberbischofsheim verlaten.
Daarover gaat het nu verder.
Het brede Taubertal is een prachtig glooiend landschap. Langs de rivier naar Bad Mergentheim passeren ons veel fietsers. Om tijd te winnen moeten we een tijdje langs de autoweg. Vermoeiend, al dat geronk. De camping is lastig te vinden. Gelukkig trekt de onweersbui ons net voorbij, zodat we alles droog kunnen opzetten. Ook het opbreken de volgende dag gaat nog net goed. Maar dan breekt de bui alsnog flink los. Voordeel is dat het daarna lekker fris is. We moeten wat heuvels beklimmen, alvast een goede oefening voor de Alpen. Op de wijnbergen is een “Weinlehrpfad” aangelegd. Er is geen tijd om alle uitleg te lezen. Tijdens ons kopje soep in het Gasthof breekt opnieuw het onweer los. Na anderhalf uur maar weer verder. Vlak voor Greglingen rolt de donder opnieuw om ons heen en kunnen we nog net droog blijven onder een smal afdak van een schuurtje. Wel gekampeerd die nacht. Maar heel koud trouwens.
Dan is het zondag 3 juli en lopen we vol verwachting naar Rothenburg ob der Tauber. Vlak voor deze beroemde stad staat een groepje Japanners op een uitzichtspunt uitgebreid te fotograferen. Ze vinden ook ons fotogeniek. Fokke vindt Rothenburg een beetje het Volendam van Duitsland. Maar prachtig is het met vakwerkhuizen, gekleurde gevels en fraaie gouden uithangborden. Ook de stadsmuur is bijzonder; je kunt helemaal over de borstwering de stad rond lopen.
Die nacht is het weer erg koud. Zelfs een vogeltje zoekt beschutting bij ons in het tentje. Richting Schillingsfürst lopen we bijna ongemerkt Beieren binnen.
Op de camping moeten we een beschutte plek zoeken, want het waait hard en het is koud. Kantine en overdekt speelhok komen nu van pas.
Op weg naar Feuchtwangen is het vochtig en warm. We verdwalen een beetje. Bij gebrek aan een camping gaan we naar de jeugdherberg. Daar zetten we onze “rotzak” neer, zoals Martha onze rugzak is gaan noemen. Ook Feuchtwangen is een prachtig stadje. Op het raadhuis wonen vier ooievaars.
De weg naar Dinkelsbühl loopt door een harmonisch landschap, vindt Martha. De rode daken van de huizen komen maar net uit de plooien van de heuvels te voorschijn. Dinkelsbühl heeft net als Feuchtwangen veel van Rothenburg. Maar beide zijn minder toeristisch.
Woensdag 6 juli zullen we niet snel vergeten. Het is al vroeg vochtig heet, moordend eigenlijk. Wat doen we onszelf toch aan? Onderweg vragen we geregeld om onze veldflessen met fris koel water te mogen vullen. Als we dertien kilometer voor Nördlingen zijn is de energie op. Toevallig staan we bij een bushalte. Maar de bus komt niet. Ja, pas later, als wij alweer lopen.
Doodop komen we in Nördlingen aan. In onze hele wandelcarrière waren we nog nooit zo moe! Maar na een douche is alles opgelost. En kunnen we het volmaakt ronde stadje verkennen.
De tocht naar Donauwörth is opnieuw lang. Stimulans is dat we daar de Donau zullen oversteken. Onderweg nog veel nieuwsgierigen naar ons reisdoel, zoals de twee fietsende Canadezen uit Banff. Zij kunnen haast niet begrijpen dat wij per dag Net zover lopen als zij fietsen!
In een dorpje rusten we even uit in de hal van een bank. Van de directeur zelf krijgen we koffie met koek. Dat is toch prachtig?
De camping van Wörnitz is moeilijk te vinden. Om zeven uur gaat het regenen en onweren. Bakken water komen naar beneden, de hele nacht door. Dan slaap je slecht, zeker als je tentje een beetje water maakt. Bovendien was er geen gelegenheid om goed te eten. Alles went en je komt er weer overheen.
Het landschap rond Augsburg vinden we wat saai: net zoals thuis. Na de middag nemen we 25 kilometer de trein en kunnen we zo de stad goed bekijken. Augsburg heeft een geweldige jeugdherberg. Fokke kent de stad vanwege de Augsburgse confessie. Dat is een document waarmee de Katholieken en Protestanten de dertig jarige godsdienstoorlog beëindigden. Vanuit de Evangelisch Lutherse kerk heeft ook onze P.K.N. zich dat geschrift eigen gemaakt.
In de grote kathedraal leidt de bisschop met staf en mijter een dienst in de volle kerk.
We verlaten Augsburg ook weer met 25 kilometer per trein. Anders bereiken we die dag de geplande camping van Landsberg am Lech immers niet. Maar ook wel een beetje omdat we verlangen naar de bergen.
Op de camping breekt direct na ons avondeten het noodweer los. Dat houdt aan tot twee uur in de nacht. Daarna houdt een luid pratende blaag ons de rest van de nacht uit de slaap. Een beetje geradbraakt gaan we op zondag 10 juli op weg naar Schongau.
En dan leven we helemaal op: we zien de Alpen op 15 kilometer afstand! Dan is schuilen voor regen en onweer aan het eind van die dag niet erg meer. Lekker eten in het Gasthof en lol maken met de stamgasten.
Het ontbijt de volgende morgen in onze Zimmer Frei is schandalig beperkt en afgepast. Dat vinden kennelijk ook de twee Australische meisjes die net als wij inkopen doen in de supermarkt.
Die dag is het alweer snel smoorheet. Op de enorme maar ruime camping van Lechbruck am Lech hebben we een fantastisch plekje aan het stuwmeer, met uitzicht op de bergen. Net ervoor kruisen twee prachtige herten ons pad. Een slangetje en een hagedisje schieten voor onze voeten weg. Het beloofde onweer komt nu eens een keer niet. Heel bijzonder, dus kunnen we fijn relaxen tijdens het potje koken.
De volgende dag gaan we fris en monter op pad voor de laatste ruim twintig kilometer naar Füssen. Maar opnieuw veel hitte. Alle ongemak is vergeten als ons pakket met spullen op het postkantoor ligt te wachten op ons. Grote pret samen met de drie postbeambten. Eindelijk in Füssen!
We eten direct onze grote coupe Italiaans ijs op het centrale plein. Dat ijs was vorig jaar onze neus voorbijgegaan vanwege de grote hagelstenen. Vandaag gaan we het beroemde kasteel van Ludwig II bezoeken. Het kasteel dat in Disneyland is nagebouwd.
We zijn nog heel gezond. Wel flink veel ponden afgevallen. Deze afgelopen periode was zwaar vanwege de drukkende hitte overdag en het onweer en de regen ’s avonds en ’s nachts. Maar niets houdt ons nog tegen voor de tweede helft van onze reis naar Rome: door Oostenrijk en Noord-Italië. Alles op onze Füssen. We houden u op de hoogte.
Marthe en Fokke Wijngaarden.


We gaan naar Rome (3)
Dat zeggen we vaak tegen de mensen die ons vragen wat wij aan het doen zijn met die grote zware rugzakken. Eerst zeiden we dat wat besmuikt of wezen we alleen naar Martha’s vlaggetje. Maar we worden steeds zelfbewuster en krijgen zelfs wat bravoure. Het gaat immers zo voorspoedig.
Maar hoogmoed komt voor de val, wij weten het. Een hielspoor kan zo ontstaan, een rug is kwetsbaar en een ongeluk zit in een klein hoekje.
Onze vragenstellers staan ons, na het antwoord, meestal met open mond aan te gapen: “Unglaublich, zu Fuss nach Rom?!”
Toen we ons vorige verslag schreven waren we nog in Bonn. Vandaag, woensdag 29 juni, houden we rust in het mooie stadje Tauberbischofsheim, dertig kilometer ten zuiden van Würzburg. De rivieren Rijn, Main en Tauber bepaalden de weg. Door Hessen via het Odenwald naar Frankenland. Langs de beroemde Romantische Strasse door Zuid-Duitsland. Over de Nibelungen- en de Siegfriedstrassen, namen die u misschien ook terugvoeren naar de sagen en legenden over de Germaanse goden en helden. Ze zijn beschreven in de IJslandse Edda en de Nibelungensage: Wodan en de andere goden van het Noordse pantheon.
Een klein overzicht: Wodan, de Germaanse oppergod, had zijn prachtige burcht, het Walhalla, gebouwd met een hypotheek op zijn zuster Freya. Dat lieve god/mens was echter onmisbaar vanwege haar gouden levensappels. Daarom steelt hij de goudschat, die oorspronkelijk door de Rijndochters werd bewaard. Die schat was al eens gestolen door het volkje Nibelungen. Zij hadden er een ring van gesmeed. Als Wodan deze ring afpakt, spreekt de Nibelung Alberich daarover een vloek uit: de bezitter zal niet meer kunnen liefhebben. Wodan komt daarmee in nog grotere problemen. Daarom schept hij een onbevreesde held: Siegfried. Deze moet voor hem de kastanjes uit het vuur halen. Dat zelfbedrog heft de vloek niet op. Na een spoor van list en verraad sterft Siegfried, nadat hij eerst de draak verslaat. Het Walhalla gaat in vlammen op en alle goden en helden verbranden. De aarde is weer van de mensen. De goudschat gaat terug naar de Rijndochters. Zij bewaken hem nog steeds op de bodem van de Rijn.
Wij hebben goed opgelet, maar hem niet gezien. Het is immers niet alles goud wat er blinkt.
Door dit romantisch Duitsland wandelen wij nu al weken. Soms al een beetje klimmen, een goede oefening voor de Alpen straks. Maar zover zijn we nog lang niet als we op woensdag 15 juni Bonn verlaten.
Ons nieuwe routeboekje beschrijft de “Rheinsteig”. Dat betekent echt stijgen, maar ook dalen, op en neer. Na een half uur al beseffen wij dat dit tempo voor ons niet te doen is. Wij moeten bij de rivier blijven, waar het vlakker is. Richting Bad Honnef, met dorpen zoals je vaak bij modelspoorwegen ziet: fraaie witte huizen met rode daken tegen de heuvels aangekleefd. Boven op een top de dreigende Drachenfels (waar Siegfried zijn draak versloeg?). Er varen veel vrachtschepen en Rijnreis/hotelboten over de rivier. Op de camping varen ze zo dicht langs, dat we de schipper bijna een hand kunnen geven.
De volgende dag komen we bij de brug van Remagen. In 1945 bereikte generaal Patton’s leger de toen enige nog intacte brug over de Rijn. Nu resteert een ruïne als gedenkteken.
Verbaasde dames geven ons een zak rode bessen mee: voor de vitaminen.
We zien de eerste perzikboom, onrijp nog. Maar kersen volop, zomaar langs het pad.
Het leven is zo eenvoudig als je wandelt. Route, eten en slapen, meer zorgen zijn er niet. Dus maken we ons druk over de naam van die bekende notenboom: Hazelnoot. Het kost tijd om daar weer op te komen.
De campingbeheerster biedt ons een oude caravan aan, want het onweert een beetje. Dan is alles beter dan je kleine tentje.
De volgende morgen merken we opnieuw hoeveel treinen langs de rivier komen. Bijna elke minuut één, en dat langs beide kanten. Meer dan een kwartier wachten bij de overweg, dus maar gewoon een tunnel zoeken. Ook ’s nachts rijden ze vlak langs ons oor. Wij slapen door alles heen
Vlak voor Koblenz is er een verrassende ontmoeting: Kerst en Pleinie Jelsma uit Ommen op de fiets naar Florence. Zij had Martha’s vlaggetje gezien/gevonden in Ommen en onderweg heeft ze voortdurend op ons gelet. Ongelooflijk dat dit predikantenechtpaar ons spot. Nog weer bijzonderder is dat zijn collega, onze dominee Bert de Ruiter, hen dertig jaar geleden in een oecumenische dienst heeft getrouwd! Waar onze tocht naar de graven van Petrus en Paulus (Rome) al niet toe leidt! Leuk.
Minder leuk is dat in het drukke Koblenz de jeugdherberg vol is. Zuchtend moeten we door naar de camping in Lahnstein. Op deze ANWB-camping worden we eerst botweg geweigerd: Vol! Dat is een “vergissing” want er kan we een voetbalwedstrijd worden gehouden, zo leeg. Na wat gesoebat worden we een halve kilometer van het sanitair en op het voeteneind neergekwakt. Slordig, zo’n behandeling van trouwe ANWB-leden. Opnieuw een bewijs dat trekkers op de meeste campings als lastig worden ervaren. Toch maar eens klagen bij de ANWB?
De buren zijn aardiger. Zij zetten onze schoenen en was onder de luifel als wij even weg zijn en het regent.
De volgende dag willen we de Rijn oversteken. Maar dat kan niet want de veerboot is kapot. In Braubach is de campingbeheerster heel wat gastvrijer dan die van gisteren op de ANWB-camping.
Daar vandaan gaan we op zondag 19 juni op weg naar St. Goarhausen. In wind en regen, voor het eerst met fleecejack en regenjas aan.
Tijdens het koffiedrinken hoort een oudere mevrouw ons uit. Zij vindt ons geweldig. Uitgebreid vertelt zij over een logé die ook naar Rome liep. Hij werd daarna priester. “Dat kan Fokke ook nog wel, als hij mij afdankt”, zegt Martha. Welnu, dat doen we maar niet.
De oudere mevrouw heeft trouwens een voorliefde voor het macabere. Een haar bekende campinggast uit Arnhem had vanwege zijn liefde voor de streek zijn as laten verstrooien, half in de Rijn bij Arnhem, half in St. Goarhausen. Fokke merkt op dat dit niet zoveel opschiet, beide passeren immers Arnhem? Jawohl, maar niet tegelijk. Ach, het zijn deze ontmoetingen die ons zo verheugen.
Tijdens het gesprek komt uit de kerk een kleine processie. De pastoor in vol ornaat onder een baldakijn met monstrans. Het Mariabeeld in de stoet. Men zingt onder begeleiding van de fanfare. Zoiets zien wij nooit in Drachten. Zo is het ook voor ons nog wat zondag. Want de dagen verschillen niet van elkaar als je alsmaar wandelt.
Die avond worden we bewaakt vanuit de burchten Katz und Maus, dreigend naar elkaar vanaf ieders Rijnoever.
De volgende dag langs de beroemde Lorelei. De nimf zit gebronsd en bloot op haar eiland. Haar zilveren stem met gouden klank zou de schippers op de rotsen hebben laten lopen. Tegenwoordig houden automatische piloot en radar de schippers op het rechte pad.
Daarna gaat het regenen en omdat Rüdesheim tien kilometer verderop te ver is, willen we even een stukje varen, net als al die wuivende en ontspannen Rijnreizigers.
Maar dat kan niet, omdat de veerboot niet kan afmeren vanwege te laag water. Wijzelf hebben hoog water: doornat nemen we de trein. Boven Rüdesheim kijkt de jeugdherberg uit over het rivierdal met de vele wijngaarden. We worden lid van de jeugdherbergen, anders mogen we er niet slapen. Een rumoerige groep schoolkinderen uit Nottingham maakt het ons gezellig.
Na Rüdesheim wordt het minder gezellig langs de Rijn. De heuvels verdwijnen en de paden worden zelfs wat spookachtig. Het regent en de temperatuur is als in een sauna. Zeer vermoeiend. Bij Wiesbaden raken we de weg kwijt en lopen vervolgens twee keer te veel over de Rijnbrug, om de camping op het eiland te bereiken. Daar zit je ’s nachts opgesloten. Wel rustig met vijf andere gasten.
De volgende morgen mogen we met een echtpaar in hun bootje mee naar de wal. Naast het mooie paleis staat de villa waar Wagner zijn enige vrolijke opera “Die Meistersinger von Nürnberg” componeerde.
Tijdens het middaguur verlaten we definitief de Rijn. Want nu volgen we even de Main.
Dat willen we vieren met koffie op het terras met uitzicht. Jammer, het terras zit vol.
Dan maar naar de bakken, Konditorei. Die heb je veel onderweg. Voor ons heel gemakkelijk combineren: koffie met heerlijke koek als ontbijt.
Bij Bischofsheim lopen we drie keer onder dezelfde spoortunnel door, totaal het spoor bijster. Ongelooflijk, vindt u ook niet? Een slecht voorteken ook.
Achter ons pakken de grote zwarte wolken zich al samen. Het rommelt in de verte. Hard hollend bereiken we een boerderij-winkeltje. Met koffie, koek en aardbeien mogen we daar anderhalf uur schuilen tegen de wolkbreuk die volgt.
Door de gezelligheid merken we de wolkbreuk nauwelijks. Later blijkt dat het in heel Zuid-Duitsland noodweer was. Auto’s rijden tot hun assen in het water. Wij blij dat we in Rüsselheim een pension vinden.
De gastvrije gastvrouw krijgt een kaartje uit Rome. Haar man brengt ons de volgende dag een stukje op weg, die loopt door fruitkwekerijen. Een groepje mensen is aardbeien aan het plukken. Wij moeten en zullen een bakvol meenemen. Lekker etend verder, onder het vliegveld van Frankfurt am Main door. In Büttelborn valt ons op dat het zo stil is: op donderdag alle winkels gesloten. De bakker weet waarom: Corpus Christi. Een belangrijke katholieke feestdag. Opnieuw komt een processie langs. Nu een flinke optocht. De tweede optocht van medegelovigen in een week tijd. Je maakt wat mee onderweg.
Richting Lichtenberg komen we in het ons van school nog bekende Odenwald. We gaan de heuvels weer in. Iemand staat ons op te wachten: “Das sieht man ja doch Heute nicht mehr, Leute mit solchen Rücksäcke!” Hij vindt het prachtig.
Dan lopen we door een groot bos. Niemand, echt niemand komen we tegen. Totdat Martha een plas doet. Prompt staat de boswachter vlak voor haar. Snel alles weer opgehesen. De man wenst ons geluk met onze keus voor de route door zijn geliefde Odenwald. Afwisselend bos en open veld. Dat klopt.
Op zaterdag 25 juni gaan we op weg naar Bad König. Een vroeger beroemd kuuroord. Nu wat vergane glorie. Op een stille helling klagen we over het weinige wild dat we zagen tot op heden. Prompt komen drie herten langs. Pure romantiek. Vogels horen we veel, dag en nacht.
Onze gastheer blijkt een dichter. Bij vertrek doet hij ons uitgeleide met een ode aan het Odenwald. Hij vertelt dat koningin Wilhelmina zich met prins Hendrik verloofde op het slot. Ook koningin Emma kwam er veel bij vriendinnen.
Om de route goed te plannen moeten we 10 kilometer met de bus/trein. Dat smokkelen staan we onszelf toe; als compensatie voor alle extra kilometers door verdwalen en winkelen.
Bij Miltenberg wandelen we weer langs de Main, naar Freundenberg, over de Nibelungen- en Siegfriedstrassen. Alles onderdeel van de beroemde “Romantische Strasse” tot Oostenrijk.
Gisteren bereikten we bij Wertheim de Tauber, een riviertje door prachtig glooiend landschap.
Vandaag, dinsdag 28 juni, zijn we in Tauberbischofsheim en rusten we uit. We zijn heel gezond, maar vermagerd. De route is gezellig met vaak dorpjes. Langs de Rijn veel boten en treinen. De Main en de Tauber zijn weer stiller.
We kamperen vaak. De taken zijn goed verdeeld: Martha koopt in, Fokke buigt zich over de route.
Op het thuisfront is alles rustig: onze kleinzoon verloor zijn amandelen; heit van 100 leeft mee via onze ansichten. Morgen gaan we rechtstreeks naar het zuiden, naar Füssen.
Nee verderop; we gaan naar Rome.
Marthe en Fokke Wijngaarden.


We gaan naar Rome (2)
Rare Jongens, die Romeinen. Dat lees je vaak in de beroemde strips van Asterix en Obelix.
Ze wonen in een klein dorpje in Frankrijk. De Romeinen kunnen dat dorp niet innemen. De inwoners zijn te sterk omdat Panoramix de Druïde hen een toverdrank geeft.
Maar voor de rest van Europa waren de Romeinse legers rond het jaar nul niet te verslaan.
Zoals u weet uit ons eerste verslag, loopt onze wandelroute van Drachten naar Rome over oude Romeinse wegen langs de Rijn. Maar ook lopen we een deel van de Jacobsweg naar Santiago de Compostella.
Ons eerste verslag eindigde in Vorden. Tweede Pinksterdag zijn we al in Bonn. De route loopt soms langs de boorden van de Rijn. Een vruchtbaar gebied met veel graan en koeien. De kersen zijn lekker en de aardbeien te kust en te keur.
We zijn vooral benieuwd naar de opgravingen bij Xanten. Daar hadden de Romeinen een grote legerplaats. Het valt wat tegen, want achter de herbouwde muur staat vrijwel niets.
We verlangen ook om de DOM in Keulen te bezoeken. Maar daar zijn we nog lang niet, als we op Hemelvaartsdag Doetinchem verlaten. We weten nu dat de zwarte bal met rond afdakje de dazen opvangt. De paarden hebben last van de beesten.
Onderweg wekken we bewondering, verbazing en ongeloof. Iedereen kan immers wel een vlaggetje met Rome erop aan de rugzak hangen.
Op 4 juni zijn we in Hoog-Elten, dat is dus al in Duitsland. Die nacht regent en onweert het vier uren lang over ons tentje, dat op een prachtige plek aan een meertje staat. De volgende dag bij Kleve blijkt de herberg een internaat, waar ze geen plek voor ons hebben.
Onze teleurstelling brengt de beheerder ertoe ons met de auto voor hotel Zur Post af te zetten.
De dag daarop in Kalkar ontstaat even paniek, omdat het routeboekje zoek is. Richting Xanten is het nevelig en motregent het wat. Maar over het weer hebben we echt niet te klagen. Ook niet over de gastvrijheid.
Bij het klooster te Mörmten krijgen we een stempel in ons Credential, en koffie met gebak. Opnieuw kan een herberg ons geen plaats bieden. De waard heeft geen plek meer, net als in het kerstverhaal.
Dan maar in een hotel in de stad. Want campings zijn dun gezaaid hier. Op veel huizen staat met krijt geschreven: 20 + C + M+ B + 11. Wij weten nu waarom. Het is voor kinderen om tijdens de Driekoningen iets lekkers te krijgen. Zoals Sint Maarten bij ons.
Rond donderdag 9 juni, tussen Rheinberg en Moers, zien we eindelijk bij Orsoy de Rijn weer eens. Daar komen we langs een reusachtige hoogoven en passeren we de grootste zoutmijn van de wereld. We zijn in het Ruhrgebied en staan versteld van de mooie, schone natuur daar. Veel rijpe kersen aan bomen langs de weg. En aardbeien volop in de stalletjes.
Voor de eerste keer slapen in een natuurvriendenhuis. Net als in een hostel mag je er zelf koken. Wat kennen sommigen hun eigen omgeving toch slecht. Een drogist weet niet dat honderd meter verderop in zijn straat het grote toeristenbureau staat. Onze telefoon weigert op te waarderen. Dat is even schrikken, want het is onze lifeline met thuis. De schrik duurt gelukkig maar even.
Bij Meerbusch zit het venijn, zoals altijd, in de staart. De camping is een uur verder dan gedacht. Maar wel heel mooi aan de Rijn. Jammer dat direct na ons koken en eten de regen begint. Dus dat betekent: vroeg slapen.
Op eerste Pinksterdag lopen we van Zons naar Keulen. Langs de grote brug naar Düsseldorff. Beiden hebben we nog wat problemen met onze rechterschoen. De veters moeten flink los. Fokke heeft links een blaartje. Volgens Martha omdat hij natte sokken aandeed toen zijn was niet droog kwam.
In Keulen doen we 10 km. met de tram, omdat we de binnenstad goed willen verkennen. Ons backpackershostel ligt naast de DOM. Daar krijgen we een mooi stempel in ons Credential.
De zwaar bebaarde Sikh houdt ons wakker met zijn gesnurk.
De stad is gezellig druk.
Ons Jacobsweg-routeboek is uit. Dus moeten we op eigen kompas Keulen verlaten. Opnieuw een stukje van 8 km. met de tram. Dan de Rijndijk weer op. Veel fietsers passeren ons, net als gisteren. In Bonn is het terrasjesweer. We slapen op de kamer met zes deelnemers aan de VN-klimaatconferentie.
Vandaag, dinsdag 14 juni, rusten we uit. We doen de grote was en halen ons pakket routeboeken van het postkantoor. Terwijl we voor het loket staan wordt het binnengebracht op het Postamt. Vandaag zit het dus helemaal mee.
Morgen gaan we het pad van de Rheinsteig volgen. Richting Koblenz. De heuvels in dus. Verder op de lange voettocht naar de Romeinen. Rare jongens, volgens Asterix en Obelix.
Marthe en Fokke Wijngaarden.


We gaan naar Rome (1)

We, dat zijn Martha en Fokke Wijngaarden. Velen in Drachten weten dat wij verwoede wandelaars zijn. Vandaar het plan om de afstand Drachten – Rome te voet af te leggen.
Misschien vindt u het wel overmoedig. We gaan u in ieder geval via deze website van de PGDrachten – Oost geregeld op de hoogte houden van onze reis.
Waarom naar Rome, zult u denken. Omdat we vaak horen hoe mooi die stad is. Maar ook omdat de Romeinen rond de geboorte van Christus ons al kwamen opzoeken. Zij vonden ons, Friezen, maar barbaren, wonend op de randen van de aarde. Een beroemd Romeins schrijver meldt dat wij met onze hutten bij boog water net opvarenden van een schip leken. Wij droogden modder in de zon (turf/veen) om als brandstof te gebruiken. En zo’n volk wilde geen Romeins onderdaan worden. Ze voelden zich dan nota bene slaaf.
Toch werden de Romeinen hier de baas, maar niet zonder verzet. Vooral belastingambtenaren moesten het ontgelden, omdat de huidenbelasting te hoog werd gevonden. Sindsdien zijn de Friezen beroemd onder de Germanen, aldus een andere beroemde Romein uit die oude tijd.
En dus willen wij zelf eens kennismaken met onze vroegere overheersers, althans met hun Italiaanse nazaten.
En zo staan we dan, na maanden voorbereiding, op vrijdag 27 mei 2011 bij onze voordeur aan de Raai. Om wat emotioneel afscheid te nemen van onze buren. Want een tocht van vier maanden is lang. We hadden gewacht op mooi weer. Maar dat mislukte. Op weg naar Hoornsterzwaag regent het geregeld.
We houden het deze eerste dag wat kort. We slapen daar in een Bêd & Brochje. De volgende dag lopen we naar Vledder. Aan de Tjonger staat een kano rechtop. Vreemd. Onderweg verliest Martha haar dierbare “Pelgrimsroute naar Rome”-vlaggetje. Onder de koffie in Elsloo zijn twee aardige fietsers bereid er naar te zoeken. We verwachten er niet veel van. Maar toch, bij binnenkomst in Vledder staan ze ons op te wachten. Met vlag! Dat maakt ons blij. Maar dat zijn we niet lang. Ons fototoestel slaat vast en dat is een ramp. Onderweg naar het dorp De Wijk kun je zoiets niet kopen.
Maar de dag daarop in Ommen natuurlijk wel. Daar kamperen we fijn aan de Vecht met zicht op de stad. Gelukkig verkopen ze er ook camera’s. En nu maar hopen dat alle gemaakte foto’s nog bestaan. En dat we snel aan het nieuwe toestel wennen.
Op woensdag 1 juni lopen we vanuit Nijverdal richting Noetselse Berg. De verwachte uitzichten missen we omdat de autoroute wordt gevolgd. Eigen schuld. Maar er komen nog zoveel bergen, dus deze kan gemist worden.
Het weer is steeds beter geworden sinds de eerste dag. Het is soms al een beetje heet zelfs. Vandaag is het Hemelvaartsdag. We zijn via Laren in Vorden aangekomen. Pieterpadlopers kennen die plaats als knooppunt. We zijn vroeg gestopt om dit verhaal te schrijven en om wat te kunnen rusten. De rugzak moet immers nog wennen en de schoenen knellen wel eens. Maar ondanks het ongemak lopen we met heel veel plezier door naar Rome. Maar dat is nu nog ver.

Marthe en Fokke Wijngaarden.